Scheelzien of strabisme verwijst naar het niet recht staan, of het niet uitgelijnd zijn, van de ogen. Met andere woorden wijkt bij scheelzien één van beide ogen af van de bedoelde kijkrichting.

Oorzaken van scheelzien

Scheelzien kan vele oorzaken hebben:

  • geboortetrauma
  • verziendheid (bril nodig),
  • bijziendheid (bril!),
  • astigmatisme (bril!),
  • een (visuele) ontwikkelingsstoornis zoals lui oog,
  • een (gedeeltelijke) oogspierverlamming, hersenzenuwverlamming (palsy)
  • een oogziekte (cataract, glaucoma, …)
  • een ziekte (zoals de griep) op cruciale leeftijd in het visuele ontwikkelingsproces
  • fysiek trauma zoals bvb een hersenschudding
  • (bij volwassenen) scheelzien als symptoom van een bredere neurologische hersenaandoening zoals bvb MS, …

Voortdurend of af en toe scheel zien?

Scheelzien (strabisme) kan zowel voortdurend (manifest) of intermitterend (latent) aanwezig zijn. Als een baby gedurende de eerste vijf levensmaanden af en toe scheel ziet, is dat niet noodzakelijk zorgwekkend. Maar als het scheelzien na die periode niet verdwijnt, moet een optometrist of oftalmoloog geraadpleegd worden en ernstig nagedacht worden over de verschillende behandelingsmogelijkheden.

Intermitterend scheelzien

Mensen die intermitterend of af en toe scheel zien hebben het merendeel van de tijd een uitgelijnde oogstand maar kijken soms toch scheel. Intermitterend scheelzien komt voor bij 10 à 15 percent van de bevolking. Dit kan te maken hebben met de kijkafstand, het niet dragen van de (juiste) bril, hoe visueel belastend een activiteit is en/of vermoeidheid. Hoewel dit soort scheelzien minder opvalt, kan intermitterend scheelzien toch ernstige lees- en leerproblemen, beperkt of geen dieptezicht, occasioneel dubbel zicht en andere symptomen met zich mee brengen. Aangezien jonge kinderen zicht nog niet bijster goed kunnen uitdrukken en niet weten wat het betekent om “normaal te zien”, moeten ouders hier zelf bijzonder waakzaam voor zijn. De moeilijkheden die intermitterend scheelzien veroorzaken tijdens het uitvoeren van ogenschijnlijk eenvoudige taken kunnen de persoonlijke, academische en professionele ontwikkeling belemmeren. Intermitterend scheelzien is erg goed behandelbaar met visuele training of visuele therapie.

Voortdurend scheelzien

Voortdurend of manifest scheelzien komt voor bij 3 tot 5 percent van de bevolking. Als de persoon voortdurend scheel ziet, zal hij of zij ofwel het beeld van één oog neurologisch onderdrukken of suppresseren (1), ofwel dubbel zien (2).

(1) Neurologische suppressie van één van de twee beelden betekent dat men in feite door het leven gaat met slechts één oog en de facto blind is in het andere oog (1a). Soms alterneert men echter ook tussen de twee ogen. In dat geval kan de scheelziende persoon ‘kiezen’ welk oog hij of zij op dat moment gebruikt om te zien en welk oog hij of zij suppresseert. Maar ook in dat geval kijkt men nooit met beide ogen tegelijkertijd (1b).

Vooral scheelziende kinderen ontwikkelen suppressie als visueel aanpassingsmechanisme als niet op tijd of onvoldoende wordt behandeld. Het voordeel van deze aanpassing op korte termijn is dat men minder of niet dubbel ziet en minder visuele verwarring ervaart. Het nadeel is dat men op lange termijn meer dan 50% van de visuele waarneming en 100% van het stereoscopische dieptezicht verliest. Dit grote visuele verlies hypothekeert latere visuele functionaliteit, lees- en leervaardigheid, academische ontwikkelingskansen, beroepsmogelijkheden en algehele levenskwaliteit. Dit verlies kan en moet voorkomen worden met visuele training of visuele therapie. Voor ervaringen uit eerste hand en wetenschappelijk onderlegde behandelingsmethoden, kan je het boek Diepte Leren Zien van Susan Barry raadplegen.

(2) Als mensen op latere leeftijd scheel beginnen zien, steekt dubbel zicht (diplopie) vaak de kop op. Maar ook bij mensen die als kind leerden om één oog te onderdrukken, kan dubbel zicht later toch nog opduiken. Suppressie van het beeld van één oog is een inefficiënte en energieverslindende manier van zien die vaak in de twintiger-, dertiger- of veertigerjaren van iemands leven moeilijker aan te houden wordt. In deze gevallen moet extra voorzichtig worden omgesprongen met oogspieroperaties en moet het potentieel van niet-invasieve oplossingen als visuele therapie of training volledig uitgeput worden. Dubbel zicht is een heel vermoeiende en verwarrende manier van zien, en heeft een beduidend negatieve impact op de functionaliteit en levenskwaliteit. Hoewel dit symptoom niet altijd even serieus wordt ingeschat door sommige zorgverleners, is er, zoals beschreven in Diepte Leren Zien, via visuele therapie of training wel degelijk nog iets aan te doen.

Diepteblindheid en het belang van dieptezicht

Alle soorten van scheelzien leiden tot sterk verminderd of een compleet gebrek aan stereo- of dieptezicht. Dieptezicht is enkel mogelijk als de ogen correct uitgelijnd zijn en de hersenen de informatie van beide ogen correct integreren. Door de lichtjes verschillende positie van beide ogen in ons gezicht, kan de visuele informatie van ieder oog door ons brein vergeleken worden en ontstaat er een hele nieuwe visuele dimensie boordevol extra informatie.

Ongeveer 5% van de bevolking is diepteblind en heeft totaal geen dieptezicht. Mensen zonder dieptezicht (scheelziende personen, mensen met lui oog of mensen die blind zijn in één oog) gebruiken monoculaire diepte-indicatoren (schaduwen, de grootte van objecten, occlusie) of aanraking en ondervinding om onrechtstreeks diepte in te schatten. Ze weten uit ondervinding dat twee dingen zich niet op dezelfde plaats kunnen bevinden, maar hebben dit nooit echt zelf gezien.

Vaak valt het op het eerste zicht niet op dat iemand geen dieptezicht heeft, behalve dan bij kinderen die zich visueel nog aan het ontwikkelen zijn. Het spreekt voor zicht dat de lichamelijke coördinatie zonder dieptezicht altijd minder precies zal zijn dan bij mensen mét stereozicht, maar meestal kunnen ze er, afhankelijk van het geval, min of meer mee overweg.

Een gebrek aan dieptezicht is hoe dan ook een serieuze domper op iemands functionaliteit, competitiviteit en levenskwaliteit. Dieptezicht of stereozicht is echter veel meer dan de spreekwoordelijke kers op de visuele taart. Het is de basis voor alle andere visuele vaardigheden, visuele stabiliteit en visuele functionaliteit. Met en zonder stereozicht zien zijn fundamenteel andere manieren van zien. Iemand met stereozicht voelt zich veel meer verbonden met zijn omgeving en beweegt zich gezwind en vol zelfvertrouwen door die visueel standvastige 3D-wereld. In haar boek Diepte Leren Zien beschrijft Susan Barry hoe fantastisch het voelde om na 50 jaar scheelzien en diepteblindheid toch nog stereozicht te verwerven. Met en zonder stereozicht zien zijn fundamenteel andere manieren van zien. Mét stereozicht zien is een buitengewoon indrukwekkende ervaring.

Bovendien verbeterde de stabilisering van haar oogbewegingen en de correcte integratie van de visuele informatie afkomstig van beide ogen ook haar leesvaardigheid. Tot en met 1 op 5 kinderen (20%) ervaart leermoeilijkheden omwille van voortdurend (5%) of intermitterend (15%) scheelzien. Deze kinderen zijn niet dom, ze hebben simpelweg gebrekkige oogsamenwerking die dringend aangepakt moet worden met visuele training of visuele therapie. Ook voor meer informatie over eventuele leermoeilijkheden die door binoculaire stoornissen (scheelzien en lui oog) veroorzaakt worden, kan je haar boek Diepte Leren Zien erop naslaan.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *